Sommige wijnen kunnen gedronken worden, zodra zij gemaakt zijn. Andere gaan erop vooruit als men ze laat ouderen, zelfs al is dit 30 jaar en in bepaalde extreme gevallen een eeuw. Over het algemeen zijn ‘vins de garde’ beter. Maar waarom? En waarom behandelt men een oude fles met zoveel eerbied?
De meeste witte wijnen, roséwijnen en lichte rode zoals beaujolais en Valpolicella drinkt men jong. Deze wijnen zijn dan fris en fruitig en op hun best. De grote witte en de meeste rode wijnen echter hebben tijd nodig om de kwaliteiten die zij in aanleg hebben meegekregen, te ontwikkelen. En soms pas na geruime tijd komen alle geur- en smaakbestanddelen die tezamen hun hoge kwaliteit maken, zoals suikergehalte, zuren, mineralen, esters, aldehyden en de tannine in volmaakte harmonie. En dit is dan ook een van de redenen waardoor een goede wijn zich onderscheidt van een slechte!
Maar dit alles kost tijd, veel tijd en zuurstof. Men ontdekte pas ten tijde van Pasteur hoe belangrijk zuurstof voor de wijn was. Napoleon III vroeg in 1863 aan Pasteu r u it te zoe ken , waarom zoveel wijn op weg naar de consument bedierf. Pasteur ontdekte dat te veel contact met de lucht de groei van azijnbacterien bevorderde. Maar ook ontdekte hij dat het contact met zeer kleine hoeveelheden zuurstof de wijn deed ouderen en rijpen, dat de inwerking van zuurstof heel geleidelijk ging en dat in een gesloten fles wijn voldoende zuurstof aanwezig was om het rijpingsproces vele jaren op gang te houden.
Door wijn in reageerbuisjes, sommige vol, andere halfvol, volkomen van de lucht af te sluiten, toonde hij aan dat de wijn in de halfvolle buisjes in enkele weken evenveel bezinksel afzette als men in een hele oude fles aantrett, en dat rode wijn lichter van kleur werd en witte donkerder. Hetzelfde verschijnsel dat men aantreft bij heel oude flessen rode en witte wijn. Op deze wijze versnelde Pasteur het proces dat anders in een goed gesloten fles jaren in beslag neemt. Eerst rijpt de wijn onder invloed van het kleine beetje zuurstof en als hij te oud wordt, bederft hij.
Pasteur ontdekte eveneens dat zelfs wijn die goed van de lucht is afgesloten, toch altijd nog kans ziet zuurstof in zich op te nemen, bijv. bij het oversteken van het ene naar het andere fust. Ook dringt de zuurstof tussen de duigen door in het fust. Factoren zoals de dikte van het fust, een eventuele aanslag met wijnsteenzuurkristallen, de inhoudsmaat van het fust en misschien een plaatsje op de tocht blijken allemaal heel belangrijk te zijn. Hij wist een verhaal te vertellen over een geverfd fust in Clos de Vouqeot, waaruit de wijn altijd een paar jaar jonger smaakte dan uit de andere, ongeverfde fusten.
Trouwens niet alleen de lucht, maar ook smaakstoffen uit het hout oefenen invloed op de wijn uit. De combinatie van eikenhout en zuurstof doet wijn sneller ouderen dan verblijf op fles. Ais men een Lichte wijn te lang op fust laat, verbleekt zijn kleur, zijn fruitigheid verdwijnt en de wijn wordt flauw, laf en smakeloos. Ais men dezelfde wijn na een jaar of nog minder had gebotteld zou kleur, smaak en fruitigheid het nog jaren hebben gehouden en misschien zelfs zijn vooruitgegaan.
Elke wijn en elke jaargang heeft zijn eigen tijdschaal. Hoe rijper de druiven zijn, hoe meer geur en smaakstoffen de wijn zal bevatten. Ais de zuurgraad daarbij ook nog hoog genoeg is (heel belangrijk om te voorkomen dat de wijn op den duur ‘zacht’ en flauw gaat worden) zal een wijn van een goed jaar met aanmerkelijk meer succes kunnen worden weggelegd dan die van een matig jaar.


